elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bladderig

bladderig , bladderig , (bijvoeglijk naamwoord) , Schilferig. || De muur wordt bladderig (de kalk laat los). Bladderig hout (hout, waarvan de hartscheuren los liggen en aan schilfers uiteenvallen). – Evenzo in het Stad-Fri. en Oost-Fr. Ook: geblaard; van geverfd hout dat bladdert. || Wat is die weeg bladderig. – Zie bladderen; vgl. afbladderen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bladderig , blasterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. schilferig Ik had de handen blasterig (Exl), Het is jammer det det maagien zok blasterig vel hef (Rui) 2. bladderig Die varf is blasterig (Man) 3. opgezet (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) Ie kunden wal zien dat e niet goed was, hij zag er zo blasterig oet (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bladderig , blasterig , bijvoeglijk naamwoord , 1. schilferig, bladderig zijnd van een verfaag e.d. 2. met een ziekelijke gelaatskleur 3. enigszins opgezet in het gezicht hoesterig 5. zie blosterig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal