elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blaffer

blaffer , blaffert , zwetser, bluffer, schreeuwer. Ook: die een groot woord voert om anderen vrees voor hem in te boezemen. Spreekwoord: Blaffers bin gijn bieters, Nederlandsch blaffende honden, of: Blaffers bijten niet. Vgl. blaffen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blaffer , blaffert , m , Iemand met een “grote mond”.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blaffer , blaffer , blafferd , blaffers , 1. persoon met grote mond, opschepper, schreeuwer In een fesoonlijk gezelschap kuj hum der niet bij hebben, het is zo’n blafferd (Die) 2. grote mond (Veenkoloniën) Hol dien blaffer nou is stil (Ros) 3. hond die veel blaft 4. pistool (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blaffer , blaffer , zelfstandig naamwoord , de; revolver, pistool
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blaffer , blafferd , blaffer , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die voortdurend ruw en onbeschoft spreekt, hard roept, schreeuwlelijk 2. zwetser, opschepper
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal