elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blakeren

blakeren , bleukern , berooken; ook = bewasemen, bedampen. Zal staan voor: blakeren, met gewijzigde beteekenis.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blakeren , blöken , (zwak werkwoord) , vlas blöken, vlas blakeren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blakeren , blakeren , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Behalve zengen, schroeien (gevogelte of wild blakeren, een door de vlam geblakerd huis), zie de wdbb., ook in de zin van een vuur maken om iets bij te drogen en bij het vuur te drogen hangen, van kleren. || De kleren hangen nog te blakeren, maar ze ben temet droog. Ze blakeren daar ok maar alles bij ’et vuur (luiers, enz.). Schout en schepenen (hebben) gekeurt ..., dat niemant hem vervordere op eenige periculeuse plaetsen, ’t sy buyten ofte binnens huys, te vuur of te blakeren, Handv. v. Assend. 214 (a° 1659). – In W.-Friesl. noemt men ook het verbranden der verdroogde plantenstengels op het land blakeren en de brandende hoop zelf een blaker.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blakeren , blakere , werkwoord , Ook: stro, lof of ander afval op het veld verbranden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blakeren , blakern , blaokern, blaekern , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook blaokern (Noord-Drenthe), blaekern (Zuidwest-Drenthe, noord) = blakeren De hoender lagen in de zun te blakern (Ndo), Deur de braand was alles zwart blakerd (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blakeren , bleukern , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. (doen) inademen van dampen bij verstopte neus, astma, keelpijn, droes of longworm Kruzemunt weur vrogger veul gebroekt bij het bleukern (Emm), Die kalver hadden longwörm en toen mussen wij bleukern (Sti), Het gezwel bleukern als een paard droes heeft komen er warme lappen om het hoofd tot het gezwel breekt (Sle), As een pèerd druus hadde, weur der bleukerd met broene teer (Zwig) 2. afbranden van het tandvlees bij een paard, als het problemen kreeg bij het vreten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blakeren , blaekeren , werkwoord , 1. van de zon: blakerend stralen 2. de straling van de sterke zon ondergaan 3. door de felle zon of andere hittebron (bijv. vuur) aangetast raken 4. gezondheid uitstralen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blakeren , blaokere , werkwoord , walmen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal