elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blauwen

blauwen , blauwen , (werkwoord, intransitief) , Alleen in de inf. De armen over elkaar slaan om warm te worden. || As je handen koud worden moet je maar ers blouwen. Ze staan te blouwen, dat ’et ’en lust is. – Blouwen had in de vroegere taal de algemene bet. van slaan, afrossen; zie Mnl. Wdb. I, 1324, waar ook de verwante vormen in andere talen worden opgegeven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blauwen , blauwen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. blauw maken van de rook Schei noou mor is een keer oet te blauwen, de ogen doet mij der zeer van (Eex), zie ook blauw 2. een wind laten Die hond blauwt aordig (Een), Die hond blauwt of (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blauwen , blauwen , zelfstandig naamwoord , de; blauwe kleur, in verb. als De was schient hielemaol uut een blauwen, ik hebbe zeker te vule blauwsel bruukt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blauwen , blauwen , werkwoord , blauw (doen) worden, ook: blauw doen worden door te roken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal