elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blauwgras

blauwgras , blauwgres , het , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. slecht hooi 2. grassoort, Carex panicea (z. blauwgien) of Sesleria coerulea Blauwgrös is een hard soort grös, dat niet geschikt is veur knienevoer (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blauwgras , blauwgrös , blauwgrus , zelfstandig naamwoord , et 1. blauwgras 2. zegge
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal