elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blauwgrasland

blauwgrasland , blauwgraslanden , (in geschrifte) = land waarop het zoogenaamde blauwgras groeit. In 1876 schreef men uit het Westerkwartier: “En de lagelandster verheugt zich dat hij nu land heeft, waar in vroegere jaren om dezen tijd des jaars (21 Dec.) de baren rolden. Sommigen twijfelen wel of de blauwgraslanden, die gewoonlijk onderliepen, er bij zullen winnen”, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blauwgrasland , blauwgröslaand , zelfstandig naamwoord , et; blauwgrasland
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal