elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blauwtje

blauwtje , blaauwtje , Men zegt hier: een blaauwke loopen, voor eene mislukte poging ondernemen, vooral bij geliefden. Heeft bijv. een jongman bij eene jonge dochter vergeef
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
blauwtje , blouw , voor: blauwtje; hij hef blouw had = hij heeft een blauwtje geloopen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blauwtje , blauke , blouke , klein voorwerp dat eene blauwe kleur heeft: dat blauke bv. dat blauwe doekje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blauwtje , blauwtje , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: Blauwsel(tje). Zegswijze ’n blauwtje bedekt ’n grauwtje, blauwsel moet de smerigheid van het wasgoed bedekken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blauwtje , blauwgien , het , blauwgies , 1. blauwtje Hij hef een blauwgie lopen (Klv) 2. turf van blauwveen (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook blauwe kloeten (Flu) 3. blauwe zegge, Carex panicea Legelaands heui was vaeke rommel mit raetel, robol, olde witten, saebels en blauwgies (Dwi), Blauwgie is een waterplaante, veural in leeg laand en op de boden van de sloot (Hav), zie ook harden I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blauwtje , blauwgien , blaauwgien , zelfstandig naamwoord , et 1. klein blauw exemplaar 2. belastingaanslag 3. afwijzing bij een aanzoek tot verkering enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blauwtje , blauwchie , zelfstandig naamwoord , blauwchies , kalkeerpapier, carbonpapier
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
blauwtje , blùwke , 1. heggenmus; 2. in ’n blùwke loope. een blauwtje lopen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal