elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blazer

blazer , bleizer , zelfstandig naamwoord de , 1. Blazer. 2. Blaasinstrument.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blazer , blaozer , blaozerd , blaozers , In bet. 2. ook blaozerd = 1. blaasmuzikant Het was altied een goeie blaozer, man nou hij een kunstgebit hef, is het wat minder (Bov) 2. opschepper Dat is wel zo’n blaozerd van een kerel; aj hum heurt, kan e alles (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blazer , blezer , zelfstandig naamwoord , de; blazer (kort jasje)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blazer , blaozerd , blaozer , zelfstandig naamwoord , de 1. blazer 2. opschepper
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blazer , blaozerd , (zelfstandig naamwoord) , 1. blazer, iemand die op een blaasinstrument bespeelt; 2. rood gezicht. Die vent kreeg mi’j toch een blaozerd toen ik em de wööreid zeie!; 3. pocher.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
blazer , [muzikant] , blaozer , (mannelijk) , blaozers , bläözerke , blazer, muzikant
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blazer , blaozer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , blaozers , bläözerke , blazer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal