elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bleekscheet

bleekscheet , bleekscheet , (bleekskeet) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Scheldwoord. || Je benne ’en bleekscheet. Lillike bleekscheet! – Vgl. blieckvijst (OUDEMANS, Wdb. op Bredero 58).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bleekscheet , bleikskeet , zelfstandig naamwoord de , Iemand die erg bleek of wit ziet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bleekscheet , bliekscheet , bliekneus, blieksnoet , Ook bliekneus, blieksnoet (Zuidoost-Drents zandgebied) = bleekscheet, bleekneus Wat zul dat kiend toch hebben, het is zo’n bliekscheet (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bleekscheet , bleekscheet , zelfstandig naamwoord , de; iemand met een bleke, ongezonde gelaatskleur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal