elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blei

blei , blaai , (Westerwolde) = platvisch, bliek of blei; Duurswold slei; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blei , blaai , zelfstandig naamwoord de , Blei (vis).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blei , blie , mannelijk , blieƫ , blieke , bliek of blei, karperachtige zoetwatervissoort, Abramis blicca.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
blei , blei , de , bleien , soort vis, blei Veur paling muj aander aos hebben as veur blei (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blei , bleie , (Kampen) blei (vis)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blei , blei , zelfstandig naamwoord , de 1. bekende vis: blei 2. trut, aanstellerige vrouw, ook wel van een man
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal