elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blèrbek

blèrbek , [schreeuwer] , bleerbek , iemand die veel en hard praat, een schreeuwer. Gron. blerbek, blersnoete = schreeuwleelijkerd, huilebalk (scheldw.). Neders. blairboks, blarschnute, HD. Plermaul, en: blarren, Eng. to blare = huilen, weenen; Westf. blaeren, Noordfr. blarre = blaten, en = schreeuwen, van kinderen. Kil. blaeren (Sax), Oostfr. blarren, blären, bleren = huilen, ook = loeien, balken. Bij Weil. en v. Dale: blaren = blaten, loeien, balken: Gron. blerren = blaten; ook = schreeuwend zingen, en = huilend schreien. Van ’t Lat. balare = blaten,
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blèrbek , blerbek , zie: blerren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blèrbek , blaerbek , zelfstandig naamwoord , de; schreeuwer, vooral van een kind gezegd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal