elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blijk

blijk , [bewijs, teken] , blîk , (onzijdig) , blijk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blijk  , bliek , blijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
blijk , bliek , de , vocht in de uier als bewijs van drachtigheid Jao, de veers is wel draachtig en hef al bliek in ’t uur (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blijk , bliek , het , blieken , blijk Der kun bij hum nog gien bliek van waardering of (Eex), Hij hef nog gien bliek geven, hie hef nog niet beld niets van zich laten horen (Sle), Hij het wel bliek geven dat e ’t wel hebben wol (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blijk , bliek , blijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blijk , bliek , zelfstandig naamwoord , et 1. blijk, teken van iets 2. harsachtig, geleiachtig vocht uit de tepels als teken van drachtigheid bij pink, vaars of schaap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blijk , blk , bliek , blijk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
blijk , bliêk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bliêke , blijk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal