elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blikbes

blikbes , blikbèer , blekber, blekbes, bleekbeer, bliek, bleike , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook blekber (Zuidwest-Drenthe, zuid), blekbes (Zuidwest-Drenthe, zuid), bleekbeer (Midden-Drenthe), bliek (Zuidoost-Drents zandgebied), bleike (Zuidoost-Drents veengebied). Vaak alleen mv. blieken (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), bleeiken (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bleken (Midden-Drenthe), bleiken (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = zwarte of blauwe bosbes, Vaccinium Myrtillus Blikbèren lus ik niet zo geern, ze bint wat zoerig (Bei), Wie giet er met hen blikbeien plukken (Pdh), Ien het Echtense bos zit een bult blekbes (Rui), zie ook bleiber
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikbes , blekber , blekbes, blakber, blekbese, blekberd, bleiber, ble , zelfstandig naamwoord , de 1. blauwbes, bosbes 2. heester waaraan de bosbes groeit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal