elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blikgat

blikgat , blikgad , blikaars. – Ook basterdvloek als tusschenwerpsel en bijwoord; dei blikgad! dei bliksloager! dei blitsekoater! dei blitsikat! dei blikkoater! verzachtend voor: bliksem. Hiervan: blikgads, blikkies mooi, enz. Zie ook: gommes.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blikgat , blikgat , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze blikgat hewwe (weze), pijn in zijn achterste hebben ten gevolge van langdurig zitten. Eigenlijk een ontveld gat hebben. Zie voor blik = ontveld het N.E.W. onder blikaars.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blikgat , blikgat , blikkont, blikeers, bliknèers , Ook blikkont, blikeers (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), bliknèers (Zuidoost-Drents zandgebied) = blikaars Hie hef zo lang op het pèerd zeten, dat hie hef een blikgat (Sle), Ik heb zo ezwiet, ik heb er een blikgat van (Dwij), zie ook bikeers
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikgat , blikgat , pijnlijk achterste.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blikgat , blikgat , zelfstandig naamwoord , et; blikgat, blikaars
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal