elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blikje

blikje , blikkien , zelfstandig naamwoord , et 1. klein blik 2. metalen uiteinde van schoenveter 3. merkteken van blik, met name in de oren van koeien en varkens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blikje , blikkie , zelfstandig naamwoord , blikkies , [Bmk] blikken bekertje (waarmee drinkwater uit de opgehaalde aker van de regenput werd geschept)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
blikje , bleek , blik, blék, blieëk , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bleke/blikke/blékke , bleekske/blikske/blékske , eerste vorm (Nederweerts, Ospels) stofblik, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) blik(metaal); tweede vorm (Nederweerts) stofblik; derde vorm (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) stofblik; vierde vorm
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
blikje , blikske , blikskes , (verkleinwoord) blikje
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal