elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blinddoek

blinddoek , blénjdouk , mannelijk , blénjduik , blinddoek.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
blinddoek , blinddoek , de , 1. blinddoek Bliendemannegien was een spellegien mit een blienddoek veur (Rui), Blinddoek houwen id. als blindhouwen (Midden-Drenthe) 2. (verkl.), in blinddoekien speulen blindemannetje spelen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blinddoek , blienddoek , zelfstandig naamwoord , de; blinddoek, gebruikt bij een kinderspelletje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blinddoek , blêndook , zelfstandig naamwoord mannelijk , blêndeuk , - , blinddoek , VB: Noé doon ich dich 'nne blêndook vuur en daan goën v'r blênnemennke sjpuüle.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
blinddoek , blèìjnddoek , blinddoek
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blinddoek , blindjdook , (mannelijk) , blinddoek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal