elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloedvin

bloedvin , bloedvin , de , bloedvin Ik kun haost nich zitten, ik haar zo’n malle bloudvinne veur ’t gat (Bco), ‘(...) dat de boeren vroeger bruine teer haalden bij de timmerman. Men deed dit in een glas water en dronk dit tegen blooudvinnen’ (Gas), Hij is tegenswoordig mit bloodvinnen an ehaald, hij zal nou ies an de krommetart mit bloom van zwèvels (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bloedvin , bloedvinne , 1. bloedzweer; 2. fistel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bloedvin , bloedvinne , zelfstandig naamwoord , de; bloedvin, bloedvatgezwel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal