elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blokhalster

blokhalster , [soort leidsel] , blokhalster , lederen halster. Vergel. blok 2.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blokhalster , blukhalster , blokhalster, blokhelster , het , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook blokhalster (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. benaming voor verschillende soorten halsters van een paard, zoals normaal halster, halster met meerdere ringen (Pdh), met kettingen, maar met leer over neus en oren (Eco), met versteviging of versiering (Nsch) 2. halster met houten blok(jes) (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), bijv. bij een jong beest: Aan elke kant van de kop een houten blok met een riem over de neus. Aan de onderkant van de kop een ring, waaraan een touw. Bij het aantrekken van de ring, knijpen de blokken naar elkaar toe (Row). Of: een blok onder de kin bij paarden, die snel op hol sloegen. Trok men met de leidsels het hoofd voor de borst, dan kneep het blok de adem af (Bor), of: Een leren halster, waaraan een ketting of touw, dat door een kram of ring aan de krib liep met een stuk hout aan het eind, zodat het paard niet met een been over de ketting of het touw kon komen, omdat de ketting altijd strak was (Dwij); blokhelster (Kop van Drenthe) = soort halster
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blokhalster , blokhelster , blokhalster , zelfstandig naamwoord , et, de; bep. halster van paard (veelal van leer), ook hetz. als halsblok, bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal