elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blote

blote , [omgeslagen eind van een broek] , blöte , (vrouwelijk) , omgeslagen eind van den broek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blote , blote , zelfstandig naamwoord , de 1. bloot, naakt iemand 2. iemands blote achterwerk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blote , blôote , zelfstandig naamwoord, mannelijk , blote; hier: ‘blote’ kaart in het spel rikken; de enige kaart van één ‘kleur’; Cees Robben – [Verliezer:] Dè was ôôk unne blôôte... (19710102)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal