elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonenkruid

bonenkruid , boonekrutje , onzijdig , bonenkruid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bonenkruid , bonekruud , zelfstandig naamwoord , et; bonenkruid, bep. kruid dat men toevoegt aan de bonen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bonenkruid , boenekrutsje , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , bonenkruid , VB: Wortelboene môtte mêt boenekrutsje gëte wërde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bonenkruid , boeanekroed , boeanekruudje , (onzijdig) , bonenkruid
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bonenkruid , boeënekroêd , zelfstandig naamwoord, onzijdig , boeënekruudje , bonenkruid
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bonenkruid , boeënekroe~d , bonenkruid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal