elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonken

bonken , bōnken , akkers, strooken gronds, waarin de opstrekkende veenplaats wordt afgedeeld door greppels, rechthoekig met die welke de plaatsen zelve scheiden. Zie: bonkaarde.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bonken , bōnken , (bijvoeglijk naamwoord) ook bōtten = van been; ʼn bōnken hecht, lepeltje, rinktje, bieterke, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bonken , bónke , bónkde, haet of is gebonk , bonken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bonken , bonksen , bonksen, ebonkst , bonken, botsen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bonken , bonken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. bonken Het pèerd bonkt tegen de deur an, die hef moek an de bienen (Sle), Het haart bonkte mij in de keel (Erf) 2. de bovenste veenlaag verwijderen Vrouger gungen ze bie winterdag hen bonken (Bov), Ik mot dei putte eerst bonken (Bco), Het bonken gebeurde in de harfst (Dro), zie ook ofbonken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonken , ponken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents veengebied) = zwaar vallen Hij ponkde op de grond (Bco), z. ook pompen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonken , bónkte , botste , Héij bónkte meej zun'ne waoge teege de muur ôn, daor hit'tie veul stèlles meej gehad. Hij botste met zijn auto tegen de schuur aan, daar heeft hij later veel trammelant mee gehad.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bonken , bonken , werkwoord , 1. afbonken 2. hard stoten, hard, bonkend slaan 3. hetz. als ofkloppen, bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bonken , boonke , werkwoord , boonkde, geboonk, boonkenterre , bonken , VB: Z'n hert boonkde wie 'r op d'n oétsjläog van z'n ekzäome zaot te waachte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bonken , boenkse , bonken.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bonken , [kaartspel] , bónke , bonzen, eenvoudig kaartspel , Óp de deur bónke. Op de deur bonzen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bonken , bongsen , bonksen , bonken, boengsen (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bonken , bonken , stampen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bonken , bónke , bónktj, bónkdje, gebónktj , bonken, heel hard kloppen , Hae bónkdje oppe duuer omdet t’r brandj waas.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal