elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonksel

bonksel , bonksel , het , het afgebonkte veen. ‘Dit werd in de ernaast gelegen veenput gegooid. Dat was verplicht vanwege de landontginning, voor de dalgrond. Daarom werd er wel eens wat dieper afgebonkt’ (Eri) Het bonksel oet de eerste put weur beide kanten oetkrooid. Dat was verschrikkelijk zwaor wark (Dro), Ie mussen 50 cm bonksel ofbonken, en later mit het laand anmaken was dat dalgrond (Geb), Bonksel is, wat in de lösse putte komp. Dat mus weer slicht worden en dat weur weer zetveld (Klv), Wij zeden van bonksel en dat was de bovenkaante van het vene, diej der ofbonkten, veurdaj het vene kregen (Schn), Bonksel was het bovenste van het vene, dat ongeschikt veur turf was. Dit worde in de putte gooid (Vle), ... dat weer in de vergraven koele mus, ong. een halve meter (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonksel , bonksel , zelfstandig naamwoord , et; geheel van planten en grond die afgebonkt wordt, bonksel, bonkaarde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal