elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aalfuik

aalfuik , aolfoeke , fuik, aalfuik.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aalfuik , [visgerei] , aolenfûke , (vrouwelijk) , aalfuik, Winterswijk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
aalfuik , eêlfuk , zelfstandig naamwoord de/’t , Aalfuik.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aalfuik , aolfoek , de , aalfuik Mien va had een akte veur een aolfoek (Dal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aalfuik , aolfoeke , palingfuik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aalfuik , aolfoeke , aolefoeke , zelfstandig naamwoord , de; aalfuik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal