elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aamborstig

aamborstig , åimbiöstig , aamborstig; van paard: deampig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
aamborstig , amböstig , kortademig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aamborstig , amböstig , benauwd.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aamborstig , aamborstig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = kortademig Olde N. is merakel aamborstig (Hgv), Met zuk mistig weer bi’j zo ambörstig (Klv), zie ook nauwbörstig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aamborstig , amböstig , aamborstig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aamborstig , ambösteg , kortademig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aamborstig , amborsteg , bijwoord , aamborstig, kortademig Hij is zôô amborsteg, astie een leegen asbak ziet gaotie al hoeste Hij is zo kortademig, als hij een lege asbak ziet gaat hij al hoesten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aamborstig , ambörstig , zie körtaosemig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aamborstig , amborstig , kortademig
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal