elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanbelanden

aanbelanden , anbelanden , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). = 1. landen, terecht komen Waor ze nou anbeland bint, hebt ze gien beste stee (Gro), Die is wel goed anbelaand heeft een goed huwelijk gedaan (Hgv), zie ook belanden 2. klaar zijn Wij bint mit het wark anbelaand (Wap), zie ook anwarkt 3. er mee zitten Die buurman, daor bi’j ok mooi met anbelaand (Sle) 4. betreffen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat dit anbelaandt, hej geliek (Dwij), zie ook anbelangen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanbelanden , anbelanden , betreffen. Wat mien zeune anbelandt... ‘wat mijn zoon betreft...’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanbelanden , anbelanen , werkwoord , 1. terechtkomen, aanbelanden 2. een maatschappelijke positie verwerven, terechtkomen in de maatschappij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanbelanden , [ergens aankomen] , anbelanden , (werkwoord) , belanden an, anbeland , ergens terechtkomen. IJ is ärgens anbeland.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal