elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aandoeken

aandoeken , andoeken , andouken , rusten van een kind tegen de borst of wang der moeder: doek mie moar an, lijvert (of doek mie moar an, laive), zegt zij tegen den kleine, en troetelend drukt zij het, onder den zachten uitroep van: doekedoekedoeke, tegen de borst. (Bij Auwen: andouken = vrijen, kussen.) Is: doeke hier zooveel als ’t Oostfriesch düke, dûke, dûk, ons doetje, Friesch tuutsje = kus, dan is: doeken (= doetjen) = kussen, en andoeken = tegen de wang kussen. Oostfriesch andoeken = aan eens anderen borst leunen, Nedersaksisch bibukken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aandoeken , aandoeken , (tegen iemand aan), aankruipen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
aandoeken , andoeien , andoeken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Midden-Drenthe). Ook andoeken (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = liefkozen met gezicht of wang tegen elkaar Doei mij nog even an gezegd tegen kinderen (Gas), kussen, liefkozen, knuffelen Doek mie even aan (Vtm), Kom nog mor even hier, mien kind, doe magst nog wel even bij oma andoeken (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal