elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aandragen

aandragen , [aanbrengen] , andragen , aandragen , aanbrengen, van eene overtreding.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aandragen , aandraage , drouch aan, haet of is aangedraage , aanbrengen. Hae haet ’m aangedraage: hij heeft hem verklapt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aandragen , andragen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aandragen Hij kwam er mit een dikke kouk andraogen (Row), IJ moet alles niet andragen oude koeien uit de sloot halen (Sle), Hij kwam der mit wat neis andragen (Mep), De bijen bint goed an het andraogen winnen (Bor) 2. aangeven, verklikken Hoe kunt ze dat nou weten? Wie zul dat andragen hebben? (Hol), Aj wat daon hebben, dan is er aaltied wel ein, die het even andraogen wil (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aandragen , aandrage , werkwoord , druëgtj aân, droeëg aân, aangedrage , get aandrage bie emes – 1. aan iemand iets melden 2. ergens bezwaar tegen maken tegenover een hoger geplaatste
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal