elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aandrager

aandrager , andreiger , zelfstandig naamwoord de , Aandrager, opperman (verouderd). Zegswijze louf as ’n andreiger, doodmoe zijn. – Sweite as’n andreiger, hevig transpireren. – Werke as ’n andreiger, zeer hard werken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aandrager , aandraeger , mannelijk , aandraegesj , aandraegerke , klikspaan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aandrager , andrager , de , andragers , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. drager, aangever Bij een publieke verkoop is degene, die de paander de spullen anrekt, een andrager (Dwij) 2. verklikker Het is een grote andrager, hij vertelt alles an de baos (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal