elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aandrijver

aandrijver , andriever , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. persoon die aandrijft, opjut As hij niet meer as andriever van die groep warkte, was het er gauw mis mit (Bro), Hij is altied de andriever van de ondeugde (Stu) 2. veedrijver Veekopers muzzen altied een andriever mit hebben naor de markt (Hol) 3. werktuig om opdroogde planken, die eerst losjes tegen elkaar gespijkerd waren, tegen elkaar aan te drukken (Zuidoost-Drents zandgebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aandrijver , andriever , zelfstandig naamwoord , de 1. persoon die de drijvende kracht is 2. deel van een ouderwetse brandspuit, aangebracht om sterker te kunnen spuiten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aandrijver , [iem. die aanspoort] , andriever , (zelfstandig naamwoord) , aandrijver.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal