elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanfokken

aanfokken , anfokken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. aanfokken, (doen) groeien Zij hebt al zes kiender, dat fokt al aordig an (Die), Met ’n tweiden kun je der heil wat op anfokken veel kinderen verwekken (Bco), Die sikkies fokt al mooi an groeien in aantal (Gie), Aj as boer meer greunlaand kriegt, dan moej vee bijkopen of zölf anfokken (And), Hie is aordig anfokt met de viestapel (Man), Dat fokt zo mooi an met die rente gezegd van geld (Hijk) 2. opfokken (Zuidoost-Drents veengebied) Van kalf of an heb ik hum zölf hielmaol anfokt (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanfokken , anfokken , werkwoord , 1. aanfokken 2. vermeerderen van een verzameling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal