elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aangapen

aangapen , angappen , aangapen; wat dut dei kerel mie zoo an te gappen!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aangapen , aagaape , gaapde aan, haet aagegaap , aangapen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aangapen , angapen , zwak werkwoord, overgankelijk , aangapen Hie hef aans niks daon as je angaopen (Eex), De neie onderwiezer mussen ze eerst ies angappen (Nor), Heb ik wat van oe an? Ie staot mij zo an te gapen! (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aangapen , angaepen , werkwoord , nieuwsgierig, verwonderd aankijken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aangapen , [verwonderd aankijken] , angapen , (werkwoord) , gapen an, an-egaapt , aangapen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal