elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aangenaam

aangenaam , aangenaam , angenaam, aangenaom, aangenaem , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), Ook angenaam (Zuidwest-Drenthe, zuid), aangenaom (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), aangenaem (Zuidwest Drenthe, noord) = aangenaam, plezierig Dat is gien angename kerel (Stu), ...gien angenaom gevuil (Wtv), Hie kreeg de wiekzuster, die hum flink wasde; dat vun hie angenaom (Gas), Laot ze der mor blieven, het is mij wel angenaem ik vind dat prima zo (Smi), Het is vandaoge angenaom waarm (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aangenaam , angenaem , bijvoeglijk naamwoord , aangenaam
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aangenaam , genèmmig , aangenaam
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aangenaam , ôngenaam , aangenaam
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aangenaam , òngenaom , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , aangenaam
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal