elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aangifte

aangifte , angifte , aanklacht; hij het er angifte van edaon = hij heeft deswege eene aanklacht ingediend.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aangifte , angifte , de , angiftes , 1. aangifte Ik mout ok nog even op het gemeinthoes wezen om angifte te doun van een dood kalf (Vri), Hij hef gister angifte daon van zien kind (Coe), Aj de tongblaor of pest maank het vee kriegt, muj der angifte van doen op het gemientehuus (Koe), Wij moet angifte doen daw een hond hebt (Zwig), Hij miste een schaop en hef er angifte van daon bij de politie (Schl) 2. aangiftebiljet, aanslagbiljet (Zuidoost-Drents zandgebied) Doe mij die angifte even met (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aangifte , angifte , zelfstandig naamwoord , de; aangifte: kennisgeving
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal