elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aangroeien

aangroeien , angruien , zwak werkwoord, onovergankelijk , aangroeien, verder groeien Het haor laow aaid kört knippen, het wil toch best weer aangruien (Eev), Dat zwien mot nog heilwat angruien, veurdat wai hom slachten kunnen (Pei), De nagel is nog niet weer angruid (Sle), Det greuit mar an, ie kent het jonkvolk niet meer (Ruw), De bulte gruit daor aldeur maor an er komt daar steeds meer geld bij (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aangroeien , angruuien , angrujjen, angruien , werkwoord , 1. opnieuw groeien, verder groeien 2. sterk gaan groeien 3. langzaam maar zeker dichtgroeien, verlanden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aangroeien , ôngroeje , vermeerderen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aangroeien , angruuien , (werkwoord) , aangroeien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal