elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhaling

aanhaling , anhoalings , meervoud van anhoaling = aanhaling; onze kemiezen hebben van nacht weer twei anhoalings doan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanhaling , ånhaalige , vrouwelijk , ne ånhaalige douwen: een boodschap doen, iets uit bijvoorbeeld de … halen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
aanhaling , anhaling , anhaoling , (Zuidoost-Drents zandgebied, ou). Ook anhaoling (ti) = 1. het geheel van de inkopen Wat een anhaling hest ja daon, het is ja net ofst hiel Börger leeg koft hest (ou), IJ hebt nogal een mooie anhaling daon nogal wat opgehaald (Sle) 2. langgerekte manier van praten (ti): Met ’n lange anhaoling van: ‘Jaaaa dat is waor...’ (ti) 3. aanloop vóór het springen (ti) Bij het slootspringen moej eerst een lange anhaling doen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal