elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhangen

aanhangen , aanhangen , (sterk werkwoord) , vgl. hangaan.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanhangen , anhangen , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = aan iets vast (gaan) hangen Die stofregen hangt aordig an (Hgv), Dat kind is toch zo anhalig, dat hangt je zuverweg an (Zwin), ook: Dit goed hangt slim an trekt vuil aan (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanhangen , anhangen , werkwoord , 1. aanhangen: blijven vastkleven 2. niet erg meegerekend worden, niet tot de vaste kern van een groep behorend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanhangen , an-angen , (werkwoord) , aanhangen. Wat angt die zwärte broek an, döör zie-j alles op. Zie ook: anpakken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanhangen , ònhange , sterk werkwoord , ± de dupe zijn; Ge hangt eraon! - je bent erbij!; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHANGEN: . . . er aan hangen - verliezen in het spel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
aanhangen , aanhange , aanhangen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal