elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhoren

aanhoren , anheuren , zee zint uut anheuren west = zee zint uut heuren west = zij zijn uit geweest om een predikant te hooren, nl. bij eene vacature.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aanhoren , anheuren , (klemtoon op: heu) = toehoren. Ook = terugkomen om nadere berichten of besluiten te vernemen: ie mouten moar ijs weer anheuren. (klemtoon op: an).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanhoren , anhuern , werkwoord , bij iem. langs gaan om bericht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanhoren , ánheûre , aanhoren ’t Gejank van dè kiend is nie um án te.heûre Het gehuil van dat kind is niet om aanhoren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanhoren , aanheuren , (ouderwets), in de tijd dat nog bijna niemand een courant las, ging men o. a. naar de kerk om aan te heuren. Bedoeld wordt: de afkondigingen die werden gedaan als b.v. koe vermist, schouw over sloten, enz.
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
aanhoren , aanheure , heurde aan, haet aangeheurt , aanhoren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanhoren , anheuren , heuren an, an eheurd , aanhoren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aanhoren , anhèuren , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. aanhoren Ik zat dat zo is an te heuren (Row), Dat lawaai was nich um an te heuren (Bco), Dat luut zuk goed anheuren was goed naar te luisteren (Sle), Oes domnee had een paor in kerke te aanheuren als hoorder van een kerkeraad van elders (Ros) 2. naar iem. toegaan om informatie Ik wil is even anheuren, hoe dat zit (Bco), Ik heb even anheurd hoe het met hum was (Pdh), Buurvrouw is ziek, ik gao even hen anhèuren (Wee), Vrogger kwamen de bakker de slager en de krudenier iedere dag anheuren oj wat te bestellen hadden (Hgv), zie ook hèuren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanhoren , anheuren , werkwoord , 1. aanhoren 2. langsgaan en informeren naar de toestand 3. klinken en daardoor begrepen worden, bijv. Et heurt oons niet vremd an het klinkt ons niet vreemd in de oren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanhoren , aonhure, nao alle aonhure , verluidt , (naar verluidt) nao alle aonhure VB: nao alle aonhure hèt 'r dat hoés gegoüwe.; dat huurt zich gek aon klinken (dat klinkt gek) dat huurt zich gek aon
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanhoren , [luisteren naar] , an-euren , (werkwoord) , aanhoren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal