elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanjagen

aanjagen , aanjagen , (sterk werkwoord) , zie een zegsw. op pan.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanjagen , anjagen , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , 1. aanjagen, aansporen Koenen anjaegen opdrijven (Dwi), De biethap is um der de kiender angst mit an te jagen (Ruw), Hij is der lelijk mit anjagd heeft een slechte koop gedaan (Ros) 2. aandraaien (Zuidoost-Drenthe) Jaag die schroef ies even an (Pdh) 3. oprakelen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze gungen vuur anjagen (Hgv) 4. aanrijden Ze hebt mij vandage op die drokke weg anjagd (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanjagen , anjaegen , werkwoord , 1. opdrijven, voortdrijven, tot spoed manen 2. in vuur anjaegen sneller doen branden 3. hard rijden of schaatsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanjagen , ònjaoge , sterk werkwoord , ònjaoge - joeg aon - òngejaoge , aanjagen; schrik ònjaoge - bang maken; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANJAGEN, wkw - schrik, vrees, het vuur het wild –-
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal