elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanjager

aanjager , aanjaeger , is een brandspuit, welke het water oppompt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aanjager , ånjääger , bak op wielen waarin water werd ånejacht bij brand
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
aanjager , anjager , de , 1. iem. die opjaagt Wij hebt nog een anjager neudig bij de koenen (Sle), Een anjager jag de mèenschen op, die an het wark bint de opzichter (Pdh), …drif de priezen op bij een bouldag (Gie) 2. iets, dat in gang brengt Een anjager is een ventilator in een autokachel (Wee), …um dieselmotoren tot ontsteking te brengen (Wes), …om het vuur in stoomlocomotieven an te wakkern (Noo) 3. doordrammer (Zuidwest Drenthe, noord) 4. gedeelte van een ouderwetse brandspuit waarmee men druk op het water verkreeg (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, wb) Wij kunt niet uutrukken, want de anjager van de spuite is kepot (Bei), ‘Bij brand stond de anjager bij de brandkuil of sloot en de parspompe bij de brand’ (Hav), ‘Als de brand te ver van de waterbron was werd een tweede brandspuit aangekoppeld. Dit was de anjager’ (Noo) 5. beugel op de zeisboom (Kop van Drenthe) 6. aanaardploeg (Veenkoloniën) Een anjaoger om eerpels aan te eerden (Git)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanjager , anjaeger , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die het vee opdrijft 2. ventilator e.d. 3. hetz. als grösbeugel, zaodbeugel 4. soort blaasbalg 5. bep. ouderwetse handbrandspuit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal