elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aankijk

aankijk , ankiek , bekijks; veul ankiek hebben, bv. van buitengewoon lange menschen, van een prachtig gebouw, enz. gezegd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aankijk , ankoik , zelfstandig naamwoord de , Aankijk, voorkomen. | Berta het puur meer ankoik as Trien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aankijk , ankiek , ankik , Ook ankik (wb) = 1. de aanblik Dat hoes is mooi van ankiek (And), Dat is een mooi wicht, die hef een mooie ankiek ziet er mooi uit (Exl), De eerste ankiek is wel goed (Hgv), Zij is de ankiek wel weerd het aankijken (Erf) 2. bekijks (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) Het hoes hef veul ankiek (wb), Zij haren veule ankiek bij de trouwerije (Die), Mit heur golden ooriezer hadde ze veule ankiek (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aankijk , ankiek , zelfstandig naamwoord , de; het kijken naar, bekijks
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aankijk , [bekijk] , ankiek , bekijks (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal