elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aankrabben

aankrabben , ankrabben , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. een begin maken bij het rooien van aardappelen (Zuidoost-Drenthe) We meut eerst de kanten ankrabben, anders kan de rooier der nich veur (Bov) 2. opschieten met rooien IJ moet wat ankrabben, aans kom wij der vandaag niet klaor met (Odo) 3. aanharken (Zuidoost-Drenthe) Ie mut het veur de zundag nog een beetien ankrabben rondom huus (Nam), Met heuien moej even de staarten ankrabben (Sle), Wij hebt de boonties wat an ekrabd, ze kwamen der wat boven er wat zand opgeharkt (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aankrabben , ankrabben , werkwoord , 1. door te harken ontdoen van bladeren, hooi enz. 2. bijeenbrengen door te harken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal