elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aankunnen

aankunnen , aankunnen , voor kunnen bereiken, geraken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aankunnen , [opgewassen zijn tegen] , ankennen , meer kracht bezitten; hij kun hum an = hij was sterker; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aankunnen , ankennen , de baas zijn; hij ken hōm wel an = hij is de sterkste; ook Drentsch, zij ken ’n bult an = die vrouw is veel noodig, niet zuinig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aankunnen , ankunnen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aankunnen Je moet je vrouw mar ankunnen (Klv), Hie kan hiel wat an kan veel verzetten (Bor), Dat mens kan alles wel an, die maokt alles op (And), Hij kan het niet an het is te zwaar voor hem (Hgv), Grunningen is een flinke stad, mor tegen Amsterdam kan het niet an kan het niet op (Sle) 2. op iemand vertrouwen IJ moet op mekaar ankunnen (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aankunnen , ankunnen , werkwoord , 1. tegen iets of iemand opgewassen zijn, de ander de baas kunnen 2. in een gevecht kunnen overwinnen 3. kunnen uitvoeren, kunnen volbrengen 4. in staat of gewend zijn om te verbruiken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal