elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanlappen

aanlappen , anlappen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. aanhechten (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, wb) Ik heb het gaoren op, even een neie klouwen anlappen (Rui), Hij mus de deuren anlappen, …anstokken er een stuk aanzetten (Pes), Even der een stukkie anlappen en dan is het net lang genog (Schn), Daor hef hie hum anlapt die jongen aan dat meisje gekoppeld (Sle) 2. aansmeren Wij wussen het eerst niet, maar toen begrepen wij, dat de buurman hum dat anlapt har hem dat had aangedaan (Bei), Dat heb ik hum mooi anlapt te duur verkocht (Klv) 3. te grazen nemen (Zuidoost-Drenthe) Ik zal hum wal even anlappen (Sle) 4. aangegeven, aanklagen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) Hoe kun de man dat doen, um hum an te lappen bij de politie (Exl), Ze hebt hum der goed an elapt, hij was er vies bij (Hgv), Het is wal singelier dat ze Jan non net pakt hebt; ie zullen zeggen, die mot haost anlapt wezen (Hijk), Ik zal ’t er oe anlappen bedriegen (wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal