elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanliggen

aanliggen , anliggen , slecht anliggen, hijl gemijn anliggen, leeg anliggen, zeer gevaarlijk ziek zijn. – slecht ook = ziekelijk, lijdend. Bij Laurm. slecht = onwijs. Zie: slicht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanliggen , anliggen , in: leeg anliggen = in slechten toestand verkeeren, weinig hoop op herstel hebben, van een zieke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanliggen , anlig’ng , werkwoord , aan de borst liggen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanliggen , anlègge , werkwoord , 1. Aanliggen. | We hewwe tot tien uur mooi anlegen. 2. Vastliggen, o.a. van biljartballen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanliggen , anliggen , sterk werkwoord, onovergankelijk , aanliggen We zagen de motte mit de biggies anliggen de biggen bij de zeug liggen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanliggen , anliggen , werkwoord , 1. grenzen aan 2. van biggetjes: bij de zeug liggen om te zogen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal