elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanloop

aanloop , anloop , (= aanloop) = bezoek; veul anloop hebben = dikwijls bezoek krijgen. (v. Dale: aanloop = herhaald, lastig bezoek, en: veel uitloop hebben = veel bezoek krijgen.) – Ook voor: toevloeiing van water van hooger gelegen bodem komende, bv. wanneer men op de helling eener wierde woont: wie hebben groote anloop van woater.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanloop , aanluip , aanloop.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aanloop , anloup , zelfstandig naamwoord de , Aanloop, ongeregeld bezoek. | Ze hewwe deer altoid ’n zoôt anloup.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanloop , aaluip , mannelijk , aaluipe , aaluipke , aanloop.; toeloop
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanloop , angeloop , niet aangekondigd bezoek van korte duur.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aanloop , angeloop , anloop , bezoek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aanloop , anloop , de , aanloop Ik make een anloop um aover de sloot te komen (Stu), Hij nam een grote anloop, mar hij kwam midden in de sloot terecht (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanloop , anloop , aanloop
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanloop , anloop , zelfstandig naamwoord , de 1. aanloop 2. inleidende woorden 3. begin van een ontwikkeling 4. bezoek dat zich met enige regelmaat aandient 5. kort onaangekondigd bezoek dat men brengt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanloop , añlôôp , zelfstandig naamwoord , añlôôpe , añlôôpie , aanloop, bezoek We hadde vandaeg veul añlôôp We hadden vandaag veel aanloop Om over die vliet te springe moddik een añlôôpie neeme Om over die vliet te springen moet ik een aanloopje nemen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanloop , aonloüp , aonluep , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , aanloop , (veel bezoek) aonloüp VB: Wie 'r op 't hospetaol laog haw 'r vëul aonloüp; aonluep; aanloop; aonluep VB: 'r Naom 'nnen aonluep en sjproûng op z'nne fits.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanloop , anloop , (zelfstandig naamwoord) , bezoek, visite. Krie-j mörgen völle anloop? Zie ook: veziete.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanloop , [aanloop] , aanloup , aanluip , (mannelijk) , aanloupe , aanluipke , 1. aanloop, start 2. bezoek , Mèt ein aanluipke spróng d’r uuever ’t Räömke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanloop , aanluîp , aanloup , zelfstandig naamwoord, mannelijk , aanluîp , aanluîpke , aanloop;aanloup bezoek, (veel)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
aanloop , aanloup , aanloop; bezoek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal