elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanpakken

aanpakken , aanpakken , wordt wel overal in ons land gebruikt voor aantasten, doch hier meer op eene bijzondere wijze, bijv. die ziekte heeft hem sterk aangepakt. Dit zeggen
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aanpakken , anpakng , werkwoord , 1 beetpakken, in ontvangst nemen, 2 aanranden, 3 gaan ontginnen, 4 op touw zetten, 5 aanvaarden, 6 beginnen, met werk in loondienst
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanpakken , anpakke , werkwoord , Ook: 1. Drinken aan de moederborst. | Dat wurm wul maar niet anpakke. 2. Groeien. | De koôlplante hewwe best anpakt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanpakken , aapakke , pakde aan, haet of is aagepak , in rechten aanspreken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanpakken , anpakken , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , 1. aannemen Wist doe dit wel even anpakken? (Vtm), As ze je wat geven wilt, moej het niet anpakken (Coe), Pak mor een stoel an pak een stoel (Eri) 2. hard werken Die man wet wel van anpakken (Eli), Aw met mekaar anpakt, is in een mum van tied de baan veegd (Exl), Aj veuroet wilt in de wereld moej anpakken (Scho) 3. te werk gaan Hoe zuw dat nou ies anpakken? (Mep) 4. onder handen nemen As der wat van die jongen terecht zal komen, mut ze hum ies goed anpakken (Noo), As ene van de beide zusters uut de tied komp, kan de femilie de aander nog neet anpakken aanspraak maken op haar deel (Rui) 5. ermee beginnen Hij hef het vandage pas anpakt (Sle), Ik heb net een neie flesse bonen an epakt (Pes), Wij hebt de schenk oet de wiemel haold; die wil wij vanmiddag anpakken aansnijden (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanpakken , anpakken , 1. aanpakken; 2. beslag leggen door een deurwaarder
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanpakken , anpakken , werkwoord , 1. aanvatten, te werk gaan 2. flink, hard werken 3. bewerken, ook in negatieve zin: aantasten 4. aannemen 5. onder handen nemen, de waarheid zeggen, op z’n plaats zetten 6. aanranden 7. benaderen om iets bij de ander te bereiken, door te dringen 8. toetasten, beginnen te eten of te drinken 9. aanspreken van, beginnen gebruik te maken van een bep. voorraad, een bep. hoeveelheid eten, drinken, voeder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanpakken , aonpakke , werkwoord , pakde aon, aongepak , aanranden , VB: Dat mèneke van hiénëve hebbe ze sjyns gisteraovend op de Huügemerwëg aongepak.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanpakken , [overnemen, ter hand nemen] , anpakken , (werkwoord) , pakken an, an-epakt , 1. aanpakken, aannemen. Za-k die deuze effen van oe anpakken? Zie ook: annemmen; 2. hard werken. Die kerel wärkt ärd, die weet van anpakken; 3. aangrijpen. Dät verael pakt em wel ärg an; 4. aanpakken, de waarheid zeggen. Dät jonk mu-j anpakken, IJ luustert niet; 5. aanhangen. Dät zwärte jässien pakt ärg an. Zie ook: an-angen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal