elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanpijpen

aanpijpen , anpîpen , Aansteken. ’k Heb gîn vü̂r; mag ik wel is van u anpîpen?
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
aanpijpen , [aansteken] , anpîpen , Aansteken, ’k Heb gîn vü̂r! mag ik wel is van u anpîpen?
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
aanpijpen , anpiepen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = 1. een pijp opsteken Kom, laote wij mar ies anpiepen (Ker), Even flink anpiepen, dan hej hum zo in de braand trekken (Schn) 2. een praatje maken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Der stund wat volk, daor gunge wij zo bij anpiepen (Pes) 3. opschieten (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij maag wel wat anpiepen, aans komp e nooit klaor (Row), Een beetien anpiepen mit het wark (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanpijpen , anpiepen , (Gunninks woordenlijst van 1908) de pijp aansteken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanpijpen , anpiepen , pijp roken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal