elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanplant

aanplant , anplant , de , aanplant De jonge anplant hebt ze estèulen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanplant , anplaant , zelfstandig naamwoord , de 1. aanplant: het nieuw geplante, het nieuw beplante stuk 2. dat wat men als aanplant laat groeien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanplant , aonplaant , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , aonplaante , - , aanplanting , aonplaant VB: 'r Ês ién de Daor begôs mêt 'nne noûwen aonplaant van morelle.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal