elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanroeren

aanroeren , anruiern , (klemtoon op: rui) = (aanroeren); mōst mie d’r nijt anruiern = gij moogt het zelfs niet met de toppen uwer vingers aanraken; ik duur hōm nijt anruiern, zoo gevoelig is hij.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanroeren , anruern , werkwoord , ter sprake brengen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanroeren , ánrure , aanroeren. ter sprake brengen Ge mot dè prebleëm béj hum op’t juuste mement ánrure Je moet dat probleem bij hem op het juiste moment ter sprake brengen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanroeren , aaruiere , ruierde aan, haet of is aageruiert , aanroeren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanroeren , anreuren , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. roeren Het beslag moej flink anreuren en zörgen dat er gien klonties in blieft (Oos), Eerst èven anreuren en dan de rest erbij indoen (Hol) 2. aanroeren Zie hebt het nog wal even anreurd, mor wieder is er niks over zegd (Sle), Wat west is, is west. Dat moej niet weer anreuren (Eex), Altied die olde kwesties weer anreur is barre vervelend (Noo) 3. aanraken (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Reur mie dan is an, ast het waogen duurst (Bco) 4. aanscheppen (Zuidoost-Drents veengebied) Mit eerappels schepen moej de eerappels bij de bult anruren (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanroeren , anreuren , anruren , werkwoord , 1. licht aanraken 2. terloops noemen, oppervlakkig behandelen 3. roerend mengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanroeren , aonreure , werkwoord , reurde aon, aongereurd , aanraken , VB: De môs dat peunt mer neet aonreure, dat ês nogal piénlik vuur hëur.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanroeren , [aanraken; oppervlakkig behandelen] , anreuren , (werkwoord) , aanroeren. Dät onderwärp ku-j bèter niet anreuren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal