elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanrommelen

aanrommelen , anrommeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. rommelend geluid maken Het hef de hiele middag anrommeld, maor der komp niks van die dunder (Bor) 2. scharrelen, rommelen Hie rommelt wat an met de belasting (Sle), Ze rommelt mar wat an en koomt hoe langer hoe dieper in het moeras (Eli) De man is old, laot hum maar wat anrommeln (Mep), zie ook anroegen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanrommelen , anrommelen , werkwoord , 1. aanmodderen, aanrommelen 2. voortdurend onweren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal